Hiv in België: “De homowereld is alleen maar solidair als er doden vallen”

Elk jaar stijgt het aantal nieuwe hiv-infectie in België bij homommannen. Een op de twintig homomannen is vandaag seropositief. De ziekte is minder zichtbaar, er zijn steeds nieuwe aidsremmers. Knack exploreerde de Belgische homoscene.

‘De homowereld is alleen maar solidair als er doden vallen’, Ingrid Van Daele, Filip Van Roe, Knack, 08.09.2010

Terwijl hiv in Vlaanderen globaal genomen onder controle is, blijft het aantal homomannen dat besmet raakt met hiv jaar na jaar toenemen. Een op de twintig homomannen is vandaag seropositief. ‘Doordat de ziekte behandelbaar geworden is, denkt men te gemakkelijk dat er niets meer aan de hand is’, zegt Patrick Reyntiens, die al 25 jaar lang besmet is. Een reportage over hiv en de Belgische gay scene.

Telkens wanneer de deur van de Brusselse discotheek de Fuse openzwaait, dreunt het zware basgeluid van de muziek van DJ Redant de straat op, waar een tiental mannen in de rij staan voor de maandelijkse homofuif La Démence . Het is eind juli, een zwoele zomernacht. Aan het zuidstation staan de lege bussen uit Parijs, Berlijn, Amsterdam de feestvierders tot de volgende ochtend op te wachten. Hier en nu moet het gebeuren.

‘Harde muziek vandaag!’ roept Hugo in mijn oor wanneer we samen naar binnen drommen. Zijn hoofd gaat op en neer op het ritme van de muziek. Vooraan op het podium staan zes zwaar gebronsde mannen in jeans met hun torso te zwaaien. ‘Ik kom speciaal uit Amsterdam’, schreeuwt hij. ‘Daar zijn hele straten vol met niks dan homobars. Maar ik kom ook graag naar hier. Er is een mix van mensen, en de muziek is goed. Ik kom voor de beats, de fun, en om te dansen. En misschien voor een partner, je weet maar nooit.’

De benedenverdieping van de Fuse aan de Blaesstraat kreunt onder massa’s kronkelende lichamen en op beats meezwaaiende armen. De meeste mannen hebben hun T-shirt uitgetrokken. Slips, in katoen of latex, voetbalkousen tot net boven de knie, en harnasjes in leer en staal voor de radicalere feestvierders lijken de musthaves voor deze maandelijkse homofuif.

‘DON’T’ staat in grote witte letters achter op de knalrode slip van een andere Nederlander. Daarboven gaapt een dikke rits een paar millimeter open. ‘Gekocht in Spanje’, zegt hij met een fors accent. ‘En dit heb ik speciaal uit Amerika laten overkomen.’ Hij schuift zijn vingers onder het met fijn zwart leer afgewerkte harnas dat zijn torso omsluit. ‘Ik ben leraar op de middelbare school. Mijn leerlingen weten dat ik naar de discotheek ga. Maar ik zeg niet naar welke’, lacht hij wegdraaiend op de muziek. ‘Dat zou niet goed zijn voor hun opvoeding.’ Ook hij hoopt dat er wel een afspraakje inzit tegen het eind van de nacht.

Een Parisien, Fréderic, is met de bus naar de Fuse afgereisd. ‘Parijs is niet meer wat het geweest is’, zegt hij. ‘De wetgeving is er zo streng dat je niet meer kunt fuiven tot ‘s morgens vroeg. Bovendien gaan steeds meer homobars dicht. Naast de Moulin Rouge was er een leuke tent, maar die is verkocht en tot restaurant omgebouwd.’ Ook Fréderic draagt alleen een slip. Paars, afgezoomd met een witte katoenen boord. ‘Omdat het hier altijd zo warm is’, zegt hij ernstig. ‘Ik loop niet graag rond in bezwete kledij.’

Eén keer per maand zakken 2000 tot 3000 mensen uit heel Europa af naar de Fuse , voor de maandelijkse homohoogmis La Démence . Het is een van de grootste gay parties van Europa. ‘Een icoon van de wat verouderde homoscene, een overblijfsel van de verheerlijking van de mannencultuur’, leren we van een onderzoeker van het Antwerpse Tropisch Instituut, Wim Vanden Berghe. ‘De mannen in La Démence doen zich zeer mannelijk voor. Expliciete uitingen van vrouwelijkheid bij die homomannen zul je er niet gauw zien. La Démence maakt in zekere zin deel uit van een historisch gegroeide subcultuur.’

‘Ik vind het hier best wel leuk’, zegt een dokter uit het Antwerpse. ‘Ik heb een veel jongere vriend’, hij trekt hem tegen zich aan, ‘en hij komt nogal graag fuiven. La Démence vind ik dan best nog wel te doen. Al bij al gaat het er vrij soft toe’, vertelt hij. ‘Ik hou niet van de opgefokte scenes waar je van alles en nog wat voorgeschoteld krijgt. Ik was eens in een bar in Wenen, waar een man boven de toonbank schaars gekleed ondersteboven hing te bengelen. Iedereen die wilde, mocht hem aanraken en ermee spelen. Dat is niets voor mij. We hebben hard gelachen, en zijn weggegaan.’

‘Nu en dan ga ik ook weleens naar La Démence ‘, vertelt Patrick Reyntiens, die werkt voor Sensoa en die we een paar dagen na de fuif ontmoeten in Antwerpen. Patrick is al 25 jaar lang besmet met hiv, bijna even lang als het virus bestaat. ‘Uitgaan is een belangrijk deel van het leven van de meeste homomannen. Ik kan het misschien wat beter relativeren, omdat ik hiv heb. Hoewel, als ik uitga, merk ik dat ze mijn lichaam nog wel ça va vinden. Maar als ze mijn kop zien en ze weten dat ik hiv heb, word ik weleens afgewezen. Hoe jong of oud je ook bent – ik ben 45, dat is ‘gepensioneerd’ in het homowereldje – afgewezen worden, is nooit leuk.’

25 jaar geleden, in 1985, kreeg Patrick zijn diagnose. ‘”Meneer Reyntiens, u hebt een niet-volledige aidsbesmetting”, klonk het toen. Ik hoor het de dokter nog zeggen. Voor mij was dat mijn doodsvonnis. Ik was ziek, had slokdarmontstekingen, uitslag en allerlei andere kwalen. Mijn huisarts in Willebroek met wie ik een goede band had, had me naar het Tropisch Instituut gestuurd. Daar kreeg ik het in oktober 1985 te horen. Van het ene moment op het andere veranderde ik in een aidslijder. Ik was het niet voor ik de consultatiekamer binnenkwam. Daarna was ik het wel. En ik zou het voor altijd blijven.

‘Het was verschrikkelijk hard. Ik zag alleen nog lijdende homo’s die ouder waren, en die er vaak veel erger aan toe waren dan ik. Mijn wereld was die van de stervende mens geworden.

‘In de gay scene zag ik hoe mensen geleidelijk aan afstand namen. Als ze in de spiegel keken, zagen ze zichzelf. Zij hadden het zélf kunnen zijn. Dan gaan ze je wegduwen of veroordelen. Als homo heb je het zelf gezocht, denken ze. Of ze zeggen je, dat zij véél minder partners hebben gehad. Ik heb er ook niet voor gekozen. Maar ik moet er wel mee leven. Al is het vaak in een isolement.’

Voor homomannen die vandaag besmet worden, is dat niet anders. Ze weten enerzijds wel dat de ziekte niet langer dodelijk is, maar de eenzaamheid blijft dezelfde. Reyntiens: ‘De onbespreekbaarheid in de eigen vriendenkring blijft bijzonder groot. Ze gaan vaak uit met dezelfde groep, maar ze durven het niet te zeggen. Uit angst dat hun seronegatieve vrienden hen niet meer sexy zullen vinden. Het uiterlijk, de verpakking is heel belangrijk in het homo-milieu. Seks. Jagen. En veroveren. Op zoek naar steeds weer die nieuwe kick. Als je seropositief bent, dreig je uit de boot te vallen.’

Ook de solidariteit is in het milieu niet toegenomen, wel integendeel. ‘Vijf procent van de homomannen is vandaag besmet met hiv, wat enorm veel is. Ter vergelijking: een land met een globale prevalentie van één procent moet al drastische maatregelen nemen. En toch tonen homomannen minder medeleven dan voordien. Het homomilieu was maar solidair zolang er doden vielen. Hiv-patiënten zien er niet meer zo slecht uit als de aidspatiënten van toen. De ziekte is ook behandelbaar geworden. Dat is het grote verschil. En dat maakt dat iedereen denkt dat de strijd gestreden is. Dat is niet zo, noch fysiek noch mentaal. Homomannen die seropositief zijn mogen dan al een normale levensverwachting hebben, ze moeten ook nog van dat leven kunnen genieten. Hoe kan dat, als ze niet kunnen praten over wat hen het meest bezighoudt: hiv? Veel mensen glijden dan af en overwegen om er een eind aan te maken.’

Reyntiens heeft dat zelf ook nog overwogen, in ‘de beginjaren’. ‘Op een bepaald moment was ik zelfs bang voor mezelf. Als ik vanuit Willebroek naar Antwerpen moest reizen, bleef ik beneden in de hal van het station staan, omdat ik vreesde dat ik me op het perron niet zou kunnen beheersen en voor de trein zou springen. Dan is het voorbij, dacht ik. Ik ben niet anders dan de andere. Gelukkig heb ik m’n hiv na een kwarteeuw een plaatsje kunnen geven.’

Een kwarteeuw later is hiv een behandelbare ziekte geworden. Er zijn massale preventiecampagnes geweest, en er heerst een groot bewustzijn van de risico’s. En toch blijft het aantal hiv-besmettingen het snelst toenemen bij homomannen. Het aantal nieuwe diagnoses is bij hen gestegen van iets meer dan 100 per jaar in 2000 tot bijna 250 in 2008. Bijna 80 procent van de Belgische mannen bij wie in 2008 hiv werd vastgesteld, raakte geïnfecteerd via homoseksueel contact. Uit een kleinschalig onderzoek door het Instituut voor Tropische Geneeskunde in de homo-uitgaanswereld blijkt bovendien dat een op de zes seropositieve mannen niet beseft besmet te zijn met het virus.

Hoe valt de stijging van het aantal diagnoses te verklaren? ‘Een kluwen van factoren werkt de toename in de hand’, zegt Alexis Dewaele, onderzoeker aan de faculteit psychologie van de Universiteit Gent. ‘Hiv is een ziekte die in zekere zin aan het homomilieu wordt toegeschreven. Ze is er in de jaren 1980 ontstaan. Dat heeft met toeval te maken, maar ook met de kwetsbaarheid van de groep. Er is immers de fysiologische verklaring: hiv wordt gemakkelijk overgedragen via anale seks.’

Verder moeten we een onderscheid maken tussen twee etappes van de epidemie. ‘Vandaag hebben we al te maken met een tweedegeneratie-epidemie. De eerste was desastreus. De ziekte was toen terminaal, mensen stierven aan het virus. In de jaren 1980 zijn in de Verenigde Staten zelfs hele homogemeenschappen ontwricht als gevolg van aids. Men heeft de epidemie toen enigszins kunnen inperken door succesvolle veiligvrijencampagnes. Er heerste wel grote paniek. Sommigen durfden aanvankelijk zelfs nog nauwelijks te kussen. Geleidelijk aan is de sfeer weer omgeslagen en heeft zich opnieuw een stijging voorgedaan.

‘Die omslag kwam er na de introductie van de eerste antiretrovirale middelen of aidsremmers in 1996. Die hebben ervoor gezorgd dat men niet meer aan de ziekte sterft, wat uiteraard zeer positief is. Maar omdat hiv nu een chronische ziekte is, waarbij men ongeveer dezelfde levensverwachting heeft als gezonde mensen, blijft het virus even lang in de gemeenschap als de patiënt overleeft. Ze slepen het virus dus veel langer mee, en dat vergroot de kans op doorgeven.’

‘Het homomilieu is bovendien een kleine groep van mensen die onderling seksuele contacten hebben en dat speelt ook mee in de dynamiek van de verspreiding’, zegt Mark Sergeant van Sensoa. ‘Zelfs in een groep die veiliger vrijt dan de doorsneebevolking, is de kans om hiv op te lopen door onveilig contact veel hoger.’ Homomannen hebben ook andere relatiepatronen dan hetero’s. Sergeant: ‘Uit onderzoek blijkt dat 80 procent van de homomannen naast een vaste relatie ook veel losse contacten heeft. Gelukkig zijn de losse contacten veel bespreekbaarder dan bij hetero’s. Dat maakt het gemakkelijker om afspraken te maken over veilig vrijen, over wat kan en wat niet.’

De losse contacten vinden ze vaak via de talloze datingsites zoals manhunt.net, adam4adam.com, dudesnude.com. Wim Vanden Berghe: ‘De homogemeenschap is opgeschoven van openbare locaties naar het internet. Vroeger waren er de parken, de sauna’s, de bars die nog steeds bestaan, maar een minder cruciale rol spelen. Nu zoeken vooral jongeren partners via het internet en spreken nadien vaak thuis af. Hun ontmoetingen zijn veel meer getaylored – afgestemd op het profiel dat ze voor ogen hebben. Maar dat maakt het veel moeilijker om hen te bereiken met preventiecampagnes.

‘In Nederland tracht men contact met hen te leggen via online chatsessies en interactieve preventiemodules. Maar dat is niet altijd zo makkelijk. Gaydar.co.uk en gayromeo.com bijvoorbeeld zijn gigantische, wereldwijd bezochte sites voor relaties en seksdates, maar ze horen toe aan privé-investeerders. Dat de overheid daar tussenkomt, is niet vanzelfsprekend.’

Volgens sommigen moeten we een verklaring voor de toename van het aantal hiv-diagnoses zoeken bij de groep van homomannen die actief risico’s nemen. Ze doen aan extreme vormen van seks zoals fist fucking, golden showers (plasseks) of seks met uitwerpselen (scat). Vaak gebeurt dat in bepaalde clubs. Zo staat Antwerpen internationaal bekend om zijn kinky scene . Maar dergelijke ‘party’s’ worden vaak ook bij mensen thuis georganiseerd, soms na netwerking over het internet. Dat maakt hen moeilijk bereikbaar voor preventie. Hoe belangrijk hun rol is in het doorgeven van het virus, is evenwel onduidelijk. Nederlands onderzoek heeft geen oorzakelijk verband kunnen blootleggen.

Deze vormen van extreme seks zijn niet te verwarren met de fetisjfuiven, waar men werkt met thema-avonden rond kledij. ‘Dat kan gaan om leer, rubber, sportkledij in fijne synthetische stofjes die leuk aanvoelen. De fetisjliefhebbers maken deel uit van een kleine internationaal gerichte subscene. Het is een seksuele fijnproeverscultuur, waarin mensen smaken verfijnen en op zoek gaan naar nieuwe smaken. Wat ze leuk vinden, gaan ze exploreren’, zegt Mark Sergeant. ‘Fetisjliefhebbers zijn niet noodzakelijk degenen die het meeste risico lopen.’ De clubs vestigen de aandacht op de noodzaak van condooms, al worden ze er niet altijd systematisch uitgedeeld.

Tot slot zijn er onder de mensen met hiv nog diegenen die aan serosorting doen. Sommige seropositieve mensen kiezen bewust voor een andere seropositieve partner om mee te vrijen. Die kent het virus en dat kan de zaken vergemakkelijken. Het risico op herbesmetting is mimimaal, maar bij hen dreigt wel een gevaar op co-infectie. Wie seropositief is en een andere soa (seksueel overdraagbare aandoening) oploopt, kan in hogere mate besmettelijk zijn. Dat geldt ook wanneer hij behandeld wordt met aidsremmers, wat op zich de overdraagbaarheid vermindert.’

Fetisjfuiven. Golden Showers. Fist fuck-ing . ‘We moeten voorzichtig zijn met het beeld dat we van de homogemeenschap ophangen’, zegt Wim Vanden Berghe. ‘Veel homomannen herkennen zich niet meer in het huidige imago en willen er ook niet mee geassocieerd worden.’ Gerrit Komrij uitte in Knack (24 maart 2010) al zijn verontwaardiging over het huidige homo-zijn en wil ‘homo-af worden’, want ‘homoseksualiteit is nu vadertje en moedertje spelen’.

‘Fundamenteel is er aan het homo-zijn natuurlijk niets veranderd’, zegt Vanden Berghe. ‘De homoscene zoals we die nu kennen, is verbonden aan historische urbanisatieprocessen en bestaat dus al langer dan vandaag. Alleen is de sfeer eromheen veel opener geworden. Vroeger moest je aanbellen aan homobars, of moest je je door dubbele veiligheidsdeuren wriemelen. In een van de oudste bars in Berlijn, nu een van de meest hippe van Europa, moet je nog steeds binnen langs een zware beveiligde achterdeur.’

De homoscene is de voorbije jaren ook zeer internationaal geworden. ‘Uit onderzoek in het uitgaansleven blijkt dat een op de drie mannen een andere nationaliteit heeft. Antwerpen is bijvoorbeeld zeer populair bij Nederlanders, en enorm veel Fransen zakken af naar Brussel. Sommige steden hebben hun gay quarters , zoals Le Marais in Parijs, of bepaalde wijken in Londen.’ De homoscene lijkt soms wel een reizend circus. De ene week zit iedereen in Hamburg, de andere zijn ze allemaal in Berlijn. Dan weer is de place to be Antwerpen, Keulen, Barcelona of Madrid.

‘De internationalisering maakt dat er een groot verloop is binnen Europa. Vandaar dat er een Europees monitoringproject is opgezet met 31 landen, om het probleem van de versnelde verspreiding efficiënt en internationaal te kunnen aanpakken. Enkel een lokaal beleid heeft vandaag weinig zin.’

‘Er moet echt wel iets gebeuren’, zegt Patrick Reyntiens. ‘Met Sensoa zullen we nog veel campagnes moeten voeren. We worden in elk geval vanuit alle mogelijke hoeken gesteund’, lacht hij. ‘Zelfs in de kinky scene organiseren ze activiteiten om Sensoa te steunen. In een rollenspel kunnen mensen zich er als meester en als slaaf ter beschikking stellen, en ze worden per opbod verkocht. Het is een benefietactie, en tegelijk ook een signaal in het milieu dat bekendstaat om zijn risicogedrag.’

‘De homowereld is zo hard’, besluit Reyntiens. ‘En o zo confronterend. Soms laat je je meesleuren en voor je het weet ben je verkocht. Ik ga weleens op stap, maar soms kom ik thuis met een kater. Iedereen die er staat te dansen, vraagt zich af, heb ik genoeg fitness gedaan? Ben ik vaak genoeg naar de zonnebank geweest? Mijn kont is toch niet te dik? Moet ik hem niet stilaan laten opspuiten? Hiv heeft me gelukkig veranderd. Ik weet dat het allemaal maar een façade is.’

‘Ik ben nu 25 jaar seropositief, en ik heb er al over gedacht om mijn jubilee te vieren. Alleen al om iedereen eens terug te zien, en te praten. Weet je wat ik dan als cadeau zou vragen? Dat ik nog één keer het gevoel mag hebben dat ik niet besmet ben.’

Dit bericht werd geplaatst in Gezondheid, Going out, Holebi, Media en getagged met , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s